sbo Sectorbestuur Onderwijsarbeidsmarkt

Debat Arbeidsproductiviteit in het onderwijs

28 december 2011

Theorie- en praktijkspecialisten buigen zich over arbeidsproductiviteit

Op 15 december debatteerden bij het CAOP in Den Haag 75 mensen uit het onderwijsveld over arbeidsproductiviteit in het onderwijs. Het was de laatste officiële SBO-bijeenkomst, maar volgens directeur SBO, Freddy Weima, wel één met een inhoudelijk grote waarde. Vragen, die deze middag de kern van het debat vormden, waren: hoe meten we de arbeidsproductiviteit? Hoe meten we het verband tussen arbeidsproductiviteit op schoolniveau en de kwaliteit van de leraar?

Voordat je met elkaar kunt debatteren over een onderwerp als arbeidsproductiviteit, is het verstandig het eerst met elkaar eens te zijn wat we precies verstaan onder arbeidsproductiviteit. Om die reden gaf debatleider Paul Vermeulen de aftrap met de definitie die tijdens dit debat gehanteerd werd: ‘Arbeidsproductiviteit is de verhouding tussen geleverde diensten (kwantitatief én kwalitatief) en de daarvoor benodigde arbeidsinzet.’

Tegenstellingen

De debatleider lichtte toe dat het, na het eerste debat in september waarbij het vooral over de noodzaak van arbeidsproductiviteit ging, vandaag meer zou gaan over het hoe en het meten ervan. Daarnaast kondigde de debatleider aan dat er tegenstellingen over het voetlicht zouden komen. Hoe verhoudt de organisatie zich ten opzichte van de individuele leraar als het gaat om arbeidsproductiviteit? En wat is de verhouding ‘dat het meten van arbeidsproductiviteit valide is’ versus ‘wat de school wil’?

Gerard van Essen van CAOP Research presenteerde een onderzoek dat TIER in opdracht van het SBO deed naar productiviteit in het onderwijs. Dit onderzoek is gebaseerd op de bovenstaande definitie van arbeidsproductiviteit. ‘Maar,’ zei Van Essen, ‘een leraar is geen productiewerker.’ En daar bleek direct de crux voor het onderzoek te liggen. Het meten van arbeidsproductiviteit van een medewerker aan een lopende band is in kwantitatief opzicht af te lezen aan de geproduceerde hoeveelheid artikelen. Maar hoe meet je dat in het onderwijs? Van Essen: ‘Doelen en opbrengsten verschillen per sector en zijn onderhevig aan verandering. Het is dus lastig om onderling te meten, maar dat is geen reden om de beschikbare indicatoren niet naast elkaar te leggen.’

In een discussie met de deelnemers uit de zaal werden diverse meetindicatoren genoemd. Van de Cito-toets tot aan leerlingentevredenheid. Als productiviteit maar nooit ten koste gaat van de kwaliteit; daarover was iedereen het eens. Een leraar uit de zaal (er waren er volgens de debatleider helaas weinig aanwezig) betrok een ander onderwerp bij het debat: ‘Met de komende vergrijzing is het zaak dat het vak weer interessant wordt. We moeten er met elkaar voor zorgen dat mensen denken: ‘Woow! Dáár wil ik werken!’ Een andere deelnemer stelde de vraag waarom je het begrip arbeidsproductiviteit in een school zou hanteren. De term komt uit de economische sector.

Innovatieve experimenten

Binnen de InnovatieImpuls Onderwijs (IIO) is de uitdaging om met minder leraren een zelfde onderwijskwaliteit te realiseren zonder dat de werkdruk van leraren omhoog gaat. Een eerste regeling om te zien welke innovatieve maatregelen invloed hebben op de arbeidsproductiviteit in het onderwijs. Binnen de InnovatieImpuls Onderwijs worden  tussen 2011 en 2015 vijf innovatie-experimenten geïmplementeerd. De experimenten zijn door scholen zelf ontwikkeld. In totaal zijn er 158 scholen bij betrokken. Arjan Heyma (SEO) schetst in zijn presentatie de vijf experimenten:

  • SlimFit (groepsoverstijgend onderwijs in het primair onderwijs)
  • Leerlingen voor Leerlingen (filmpjes door medeleerlingen nemen lestaken over)
  • E-Klas & PAL-student (elektronische leeromgeving en inzet PAL-studenten)
  • Onderwijsteams (functiedifferentiatie in teamverband)
  • Videolessen (kleine vakken rendabel maken door videoverbinding)

Heyma: ‘Ik geloof in de werking van deze projecten. Het zijn dan wel experimenten, maar ik wil graag bekijken of dit werkt.’ Volgens Heyma is vooraf goed geborgd dat deze experimenten niet ten koste gaan van de kwaliteit van het onderwijs. Eén van de experimenten werd door een deelnemer uit de zaal expliciet genoemd: ‘Het project leerlingen voor leerlingen werkt niet alleen goed; er zit nog een positief neveneffect aan. Leerlingen komen in aanraking met het leraarsvak en blijken het leuk te vinden.’

Efficiency

‘Het begrip kwaliteit staat centraal,’ zei Jaap Scheerens van de Universiteit Twente, ‘want dat hoor ik voortdurend vallen.’ Scheerens was de derde op rij met een presentatie over het onderwerp. Ook hij heeft de termen productiviteit, effectiviteit en efficiency gedefinieerd. Scheerens: ‘Het hoofdthema is, volgens mij, efficiency. Je kunt op verschillende manieren efficiënt zijn. De eerste manier is bezuinigen aan de inputkant en dezelfde kwaliteit behalen. De tweede is met dezelfde input een hogere kwaliteit halen. Het meest efficiënt is natuurlijk om met minder input hogere kwaliteit te behalen.’

Na de bijdragen van Gerard van Essen, Arjan Heyma en Jaap Scheerens startte het echte debat. Speciaal daarvoor waren twee tafels neergezet. Aan de ene tafel zaten de drie reedsgenoemden, aangevuld met twee onderzoekers die vanuit het publiek werden uitgenodigd. De tweede tafel, een ‘praktijktafel’, was gereserveerd voor mensen uit het onderwijsveld. Aan de hand van stellingen werden meningen van beide tafels met elkaar vergeleken. Deelnemers in de zaal reageerden ook bevlogen op de stellingen.

Hoe meten we de arbeidsproductiviteit op schoolniveau en de kwaliteit van de leraar? Volgens één van de leden aan de praktijktafel was het simpel: ‘Arbeidsproductiviteit meet je door het aantal fte af te zetten tegen het leerlingenaantal. En de kwaliteit meet je in leerlingentevredenheid. Ik mis echter wel de rol van de directie. Zij heeft een belangrijke taak in het meten van de kwaliteit van de leraar.’ Een tafelgenoot, zelf docent, was het daarmee niet eens. Volgens hem moeten leraren elkaar onderling beoordelen, door bijvoorbeeld lessen van elkaar bij te wonen.
Dré van Dongen van de Inspectie van het Onderwijs zei dat er momenteel wel wordt gemeten aan de outputkant, maar alleen op de scholen die achterblijven. Vanuit de zaal werd gereageerd dat arbeidsproductiviteit en kwaliteit eigenlijk niet samen in een stelling zouden moeten staan, omdat het totaal verschillende dingen zijn.

Onderwijs en wetenschap dichter bij elkaar

Aan de tafel van de onderzoekers was twijfel over de zelfmeting: ‘Het gevaar is dat iedereen zijn eigen definitie van arbeidsproductiviteit hanteert. Dan is landelijk benchmarken niet mogelijk. Wij kijken in de onderwijspraktijk en vragen ons af wat er wel en niet werkt.’ Volgens de praktijktafel bereiken onderzoeksgegevens de scholen maar mondjesmaat. ‘Kom naast ons staan in het onderwijs!’ was hun reactie. Waar beide tafels het over eens waren is dat niet duidelijk is waarom de kennis de scholen niet bereikt. Daar is nog veel winst te behalen. Volgens een aantal deelnemers in de zaal is dit ook een advies van de commissie Nationaal Plan Toekomst Onderwijswetenschappen (commissie Thom de Graaf): ‘Verbeter de relatie tussen het onderwijs en de wetenschap. Kijk op een positieve manier naar elkaar en zoek een handige manier om kennis te ontsluiten.’

De tweede stelling luidde: Hoe meten we het verband tussen arbeidsproductiviteit op schoolniveau en de kwaliteit van de leraar? Volgens de praktijktafel moet je beide aspecten goed in de gaten houden. Je kunt dat doen door ze af te zetten tegen een tijdsbalk. Zo kun je meten en vaststellen of je voor of achter loopt. In de zaal vindt een deelnemer dat het een onmogelijke opgave is om dit met elkaar in verband te brengen, maar Van Dongen (Inspectie van het Onderwijs) zei dit door middel van lesobservaties wel te doen op scholen die onder de maat presteren.

Ranglijst

In de zaal werd de metafoor van een voetbalclub gebruikt. Er is trainingstijd, een trainer en een plek op de ranglijst. Creëer een sfeer waarin leerlingen willen leren. Van Dongen gaf aan dat de Inspectie bezig is met zo’n ranglijst. Aan dezelfde tafel werd het gevaar van zo’n lijst blootgelegd: ‘Een school kan goed scoren op de ranglijst, omdat een leraar het hele jaar oude Cito-toetsen heeft geoefend. Maar als de leerlingen hierdoor geen les hebben gekregen, meet je dus de verkeerde parameter.’

Van de vier van tevoren bedachte stellingen was helaas maar tijd voor twee stuks. Vanuit de zaal reageerde iemand daar op: ‘Jammer, dat we voor een gewichtig onderwerp als dit niet meer tijd nemen. Een vervolgstap zou moeten zijn om per stelling een hele middag met elkaar te debatteren.’

Download de presentaties

Presentatie Gerard van Essen

262 kb | 28 december 2011

Presentatie Arjan Heyma

200.62 kb | 28 december 2011

Presentatie Jaap Scheerens

434 kb | 28 december 2011

Zoeken in kennisportaal