De Wet Stimulering arbeidsparticipatie (STAP)
Op 1 januari 2009 is de Wet STAP in werking getreden. De wet STAP vergroot de mogelijkheden voor gemeenten ( voor bijstandsgerechtigden) en UWV Werkbedrijf ( voor ww'ers) om loonkostensubsidies en participatieplaatsen in te zetten. In deze wet wordt een aantal wijzigingen met betrekking tot de participatieplaatsen en loonkostensubsidies geregeld. Hieronder vindt u deze wijzigingen beschreven.
Participatieplaatsen
Participatieplaatsen zijn tijdelijke, onbeloonde en additionele werkzaamheden die met behoud van uitkering kunnen worden verricht door uitkeringsgerechtigden die vooralsnog niet bemiddelbaar zijn op de arbeidsmarkt. Er moet sprake zijn van re-integratie. De toenadering tot de arbeidsmarkt staat voorop; de uitkeringsgerechtigde moet baat hebben bij het opdoen van werkervaring of tijd nodig hebben om te wennen aan werkgerelateerde aspecten, zoals regelmaat. Het moet gaan om een additionele functie. Daaronder wordt verstaan een speciaal gecreëerde functie of een al bestaande functie, mits bovenformatief die een uitkeringsgerechtigde alleen met speciale begeleiding kan verrichten. Het is bekend dat mensen met een startkwalificatie een veel betere positie hebben en houden op de arbeidsmarkt. Daarom krijgen uitkeringsgerechtigden zonder startkwalificatie na zes maanden op een participatieplaats scholing of opleiding aangeboden, tenzij dit naar het oordeel van de gemeente niet bijdraagt aan de arbeidsmarktkansen. Het is aan de gemeente om invulling te geven aan de scholing of opleiding. De gemeenteraad stelt het kader in een verordening vast.
Het is aan het oordeel van gemeenten of de scholing bijdraagt aan de arbeidsmarktkansen en gemeenten mogen zelf bepalen welke scholing zij aanbieden.
Ook is het belangrijk dat de uitkeringsgerechtigde er financieel op vooruit gaat als een langer durende inspanning wordt gevraagd. Daarom is geregeld dat uitkeringsgerechtigden na zes maanden op een participatieplaats en vervolgens iedere zes maanden recht hebben op een premie, tenzij de belanghebbende onvoldoende meewerkt aan de arbeidsinschakeling. Met de Wet STAP is het mogelijk gemaakt om de premie tweemaal per jaar te verstrekken. Dit geldt overigens voor de premie in het algemeen, dus ook voor een premie die buiten de situatie van een participatieplaats wordt verstrekt. De gemeenteraad legt de regels omtrent de premie vast in een verordening.
Het is niet de bedoeling dat uitkeringsgerechtigden onnodig lang op een participatieplaats zitten. Zodra een ander traject of regulier werk meer geschikt is moet dat ook worden ingezet. Daarom zijn de regels voor verlenging na twee jaar aangescherpt. Verlenging na twee jaar mag alleen als daardoor de kans op inschakeling in het arbeidsproces van betrokkene aanmerkelijk verbetert.
Ook UWV-cliënten, bijvoorbeeld werklozen met een WW-uitkering, kunnen een dusdanig grote afstand tot de arbeidsmarkt hebben, dat de inzet van een participatieplaats nodig is. Ook staat de integrale ondersteuning van de klant voorop en het is belangrijk dat gemeenten en UWV zoveel mogelijk over hetzelfde instrumentarium beschikken. Daarom is in de wet STAP geregeld dat ook UWV de participatieplaats in kan zetten voor zijn uitkeringsgerechtigden.
Hoe gaat dit laatste in zijn werk? Het UWV is verantwoordelijk voor de re-integratie van zijn cliënten. Het UWV indiceert uitkeringsgerechtigden voor een participatieplaats en kan deze voor de uitvoering aan gemeenten overdragen. Over deze overdracht maken het UWV en gemeenten op lokaal niveau praktische afspraken. Na afloop van de participatieplaats wordt de cliënt weer naar het UWV teruggeleid en beziet het UWV welke vervolgstappen in het re-integratietraject van betrokken cliënt noodzakelijk zijn op weg naar werk. Het UWV blijft immers verantwoordelijk voor de re-integratie. Aan de uitkeringsgerechtigde wordt steeds duidelijk gemaakt dat het UWV verantwoordelijk is voor de re-integratie en dat de betrokken gemeente verantwoordelijk is voor de uitvoering van de participatieplaats.
Loonkostensubsidie UWV
De Wet STAP regelt voorts dat werkgevers die langdurig werklozen, arbeidsongeschikten, of herbeoordeelden in dienst nemen een beroep kunnen doen op het tijdelijke instrument loonkostensubsidie van het UWV. Deze loonkostensubsidie bedraagt maximaal 50% van het wettelijk minimum loon gedurende 1 jaar (ca. € 8.000,-).
Het instrument vergroot de mogelijkheden van UWV voor het bieden van maatwerk en versterkt de samenwerking met gemeenten, omdat gemeenten al over de mogelijkheid van loonkostensubsidie beschikken. Doel is dat het instrument door UWV en gemeenten selectief en vraaggericht wordt ingezet voor cliënten met een grote afstand tot de arbeidsmarkt. Voorts is van belang dat personen die herbeoordeeld zijn voor de WAO, WAZ en Wajong en daarna geen uitkering ontvangen ook voor een loonkostensubsidie van het UWV in aanmerking kunnen komen.
Doel is dat loonkostensubsidies die door het UWV worden verstrekt in ten minste 50% van de gevallen ertoe zullen leiden dat betrokkene na de subsidie aan het werk blijft in regulier werk.
Het UWV kan de tijdelijke loonkostensubsidie alleen toepassen bij het in dienst nemen van uitkeringsgerechtigden jonger dan 50 jaar, omdat de werkgever voor ouderen al de nieuwe premiekorting ouderen mag gaan toepassen. De leeftijdsgrens van 50 jaar geldt niet voor personen die herbeoordeeld zijn voor de WAO, WAZ en Wajong.
(Bron: Ministerie van SZW)