sbo Sectorbestuur Onderwijsarbeidsmarkt

Verslag Agenda 2010

De lat ligt hoog: een debat over Agenda 2010

Op 2 oktober maakte SBO-voorzitter Jan Franssen in het Haagse Nieuwspoort ‘Agenda 2010’ en het Manifest ‘de lat ligt hoog’ van de sociale partners in het onderwijs bekend. Onderwijsspecialisten van vijf 2e Kamerfracties gingen daar vervolgens over in debat.

'Dames en heren, het is verkiezingstijd. Jan Peter Balkenende sprak vanmorgen in hotel Mosselman in Vlissingen zijn kiezers toe. Het was een ontroerende speech, waarin hij de docenten van zijn oude middelbare school in het openbaar bedankte voor wat zij voor hem betekend hebben. De leraar geschiedenis, de leraar Nederlands, de leraar wiskunde, hij noemde ze allemaal bij naam. Het publiek was ontroerd en beloonde de toespraak van de minister-president met een staande ovatie.’
Nee, helaas, dit is geen werkelijkheid, dit is een verzonnen verhaal, besluit journalist en oud-docent geschiedenis Willem Post zijn gesproken column, maandag 2 oktober in Nieuwspoort, tijdens de presentatie van Agenda 2010 en het Manifest ‘de lat ligt hoog’ van het SBO. Hoewel, helemaal verzonnen is het niet. Want in werkelijkheid was dit de speech van Bill Clinton. Begin jaren ’90 presenteerde hij zich op deze wijze in het Hilton hotel in Little Rock als dé Amerikaanse onderwijspresident.
Zoveel respect voor het onderwijs, dat zou in Nederland ook moeten, is de boodschap van Post. ‘We moeten af van het grauwsluier als we praten over onderwijs. Een leerkracht heeft meer invloed op een kind dan een arts of politieagent.’ De komst van de ‘superleraar’, dat is het visioen dat Post daarbij voor ogen staat. ‘Een inhoudelijk ijzersterke leerkracht, met liefde voor de kinderen, die zijn vakgebied bijhoudt en daar ook alle faciliteiten voor krijgt. En die beloond wordt als een conrector. Ooit kom ik terug in het onderwijs, maar dan als superleraar.’

Convenant
Na de column van Post presenteert SBO-voorzitter Jan Franssen, geflankeerd door Joop Vlaanderen en Gerard Stemerding, vertegenwoordigers van de schoolbesturen en de werknemers in het SBO, Agenda 2010 en het Manifest ‘de lat ligt hoog’. Investeren in onderwijs en onderwijspersoneel, dat zijn de centrale thema’s van Agenda en Manifest van de sociale partners in het onderwijs. Dat is hard nodig, legt Franssen uit. ‘De Nederlandse economie verandert en dat stelt andere eisen aan het onderwijs. Daarnaast verdwijnen door vergrijzing de komende jaren veel leerkrachten. En ook de omstandigheden waaronder onderwijs gegeven wordt veranderen. Het draait niet meer alleen om overdracht van kennis, cultuur en kunde, ook opvoeding en pedagogische ondersteuning spelen een steeds grotere rol.’ In 2002 bracht het SBO voor het eerst een beleidsagenda uit: Agenda 2006. Thema’s uit die Agenda staan sindsdien hoog op de politieke agenda, constateert Franssen. ‘De Kenniseconomiemonitor 2006 van Nederland Kennisland, die dit najaar verscheen, pleit bijvoorbeeld voor betere én beter betaalde docenten voor de klas. Dat was al een agendapunt in Agenda 2006.’

Maar de doelen uit Agenda 2006 zijn nog lang niet bereikt. Een nieuwe agenda is dus absoluut nodig. Manifest en Agenda 2010 bevatten een ambitieus programma, benadrukt Franssen. ‘We kijken niet alleen naar de overheid, maar ook naar ons eigen aandeel. De sociale partners in het onderwijs willen investeren in het onderwijs. Met als inzet de kwaliteit van het onderwijspersoneel te verhogen en lerarentekorten te voorkomen. Daarover willen we een convenant afsluiten met het nieuwe Kabinet.’

Het Manifest bevat zes agendapunten voor de komende vier jaar. Franssen: ‘We pleiten voor aantrekkelijke loopbanen in het onderwijs, zowel inhoudelijk als financieel. Carrière maken mag niet langer voorbehouden zijn aan onderwijsmanagers. Daarnaast willen we oudere leerkrachten behouden. Ook voor hen moet het onderwijs werkbaar en aantrekkelijk blijven. Verder stellen we de professional centraal, willen we meer ruimte voor ontwikkeling en scholing, het vertrouwen verbeteren tussen management en leraren en werken aan een leven lang leren.’

Het zijn ambitieuze doelen. De sociale partners in het onderwijs vragendaarom een extra investering in het onderwijs van 5 miljard euro. Daarmee komt Nederland met de onderwijsuitgaven op het OECD-gemiddelde van 5,9% van het Bruto Nationaal Product (BNP). Franssen is realistisch. Zo’n bedrag hoest je niet in één jaar op. ‘Het is een groeimodel, maar we willen over enkele jaren op dit bedrag uitkomen.’ Daarna overhandigt Franssen het eerste exemplaar van Agenda 2010 aan Willem Weisfelt, docent Engels aan het Petrus Canisius College in Alkmaar en docent van het jaar 2005-2006.

Formateur
Vervolgens is het tijd voor het debat tussen de onderwijsspecialisten van vijf Tweede Kamer fracties: Ursie Lambrechts (D66), Arie Slob (ChristenUnie), Jasper van Dijk (SP), Mariëtte Hamer (PvdA) en Jan de Vries (CDA). Dagvoorzitter Martin van der Harst wil eerst van hen weten wat zij straks in een eventueel gesprek met de formateur benoemen als prioriteit in het onderwijs. Ursie Lambrechts wenst meer aandacht voor arbeidsvoorwaarden, van betere salariëring tot een leven lang leren. ‘De salarissen van leerkrachten lopen vijftien procent achter op die in vergelijkbare andere sectoren,’ aldus Lambrechts.
Arie Slob pleit voor minder werkdruk, zodat leerkrachten weer plezier krijgen in het lesgeven en meer aandacht kunnen geven aan individuele leerlingen. Mariëtte Hamer benadrukt dat er niet één oplossing bestaat. Wel zou ze er bij de formateur voor pleiten om van de school weer een uitdagende werkplek te maken. Jan de Vries hamert tot slot vooral op vertrouwen. Bovendien vindt hij dat er meer geld mag naar leerkrachten in de moeilijke wijken van de grote steden. ‘We moeten verschillen durven maken, als we beseffen dat leraren het verschil maken.’
Van der Harst legt de Kamerleden ook de cijfers voor uit de ministeriele nota ‘Werken in het onderwijs 2007’. Volgens die nota stappen de komende tien jaar bij hoogconjunctuur 75 % van de leerkrachten uit het voortgezet onderwijs. Bij laagconjunctuur is dat nog altijd 66 %. Wat vinden de Kamerleden hiervan? De Vries constateert dat de cijfers vooral hoogopgeleide docenten betreffen. ‘We moeten het onderwijs inhoudelijk uitdagend maken, willen we hen niet kwijtraken.’ Arie Slob is dat van harte met hem eens. Mariëtte Hamer verwijt het Kabinet dat ze bij het aanhalen van de broekriem de afgelopen jaren geen uitzondering gemaakt heeft voor het onderwijs. ‘De afgelopen jaren zijn verloren jaren geweest. Dagelijks krijg ik mails van jonge leraren die weg moeten of zij-instromers die geen baan kunnen vinden. Het Kabinet heeft te weinig gedaan om deze groepen te behouden. Het PvdA wil dat de komende jaren rechtzetten.’

Onbevoegd
De Kamerleden nemen ook het thema kwaliteit onder de loep. ‘Twintig procent van de leraren staat onbevoegd voor de klas. Moeten we ons daarover zorgen maken?’, vraagt van der Harst. Ja, meent Lambrechts. ‘In 2001, tijdens het dieptepunt van het lerarentekort, heeft de politiek teveel concessies gedaan aan de kwaliteit van docenten. We wilden immers geen klassen naar huis sturen. Voor de korte termijn was dat een goede maatregel, maar op langere termijn ondermijn je daarmee de kwaliteit van de sector.’ Hamer waarschuwt echter dat de politiek docenten niet moet diskwalificeren. ‘Er bestaat geen blauwdruk voor de ideale docent. Het onderwijs heeft behoefte aan een diversiteit aan kwalificaties. Een leraar in het primair onderwijs heeft andere vaardigheden nodig dan een VO-docent wiskunde.’
De Vries ziet een mooi aanknopingspunt met Agenda 2010. ‘De Agenda legt de nadruk op een leven lang leren. Het CDA vindt dat ook belangrijk. Leren stopt niet aan het eind van de lerarenopleiding.’
Tot slot gaat de discussie over extra beloning voor leerkrachten. Docent van het jaar Willem Weisfelt is daar voorstander van. ‘Onze jongeren zijn idealistisch, maar ook zakelijk. Een keuze voor het onderwijs vinden ze vaak een slechte investering van hun intelligentie. Ze verdienen er te weinig.’ De woorden van Weisfelt zijn journalist Willem Post uit het hart gegrepen. ‘Belangrijkste vraag is: hoe krijgen we de twintigers in het onderwijs? Dat kan alleen door betere betaling.’ Maar dan wel door een generieke salarisverhoging, stelt SP-Kamerlid Jasper van Dijk. ‘We zijn sceptisch over prestatieloon. Hoe meet je immers wat een goede of slechte leraar is? Een generieke salarisverhoging én een snellere doorgroei van aanvangs- naar eindsalaris zijn volgens ons de oplossing.’

SBO-voorzitter Jan Franssen sluit de middag af. Eén ding is zeker: de oplossing komt niet vanzelf, stelt hij. ‘De sociale partners in het onderwijs nodigen de overheid daarom uit voor een nationaal convenant, waarin beide partijen zich verplichten tot boter bij de vis. We hopen dat in het nieuwe Kabinet een activistische en betrokken minister bereid is onze handschoen op te pakken. Het gaat hier om een investeringsagenda. Laten we daar samen de komende jaren een succes van maken.’

Zoeken in kennisportaal